diverse auteurs

Bestel dit boek HIER



Het grote boek van Sinterklaas

verhalenbundels
gebonden
160 pagina's
ISBN: 9789025110642
september 2008
14,95


Free download van de Sinterklaas Aftel Kalender.
Klik HIER.



Beste kinderen,
Het grote boek van Sinterklaas is een verhalenbundel over allerlei spannende avonturen die ik heb beleefd. Wist je wel dat de stoomboot bijna door piraten is gestolen? En dat ik een keer helemaal geen zin had om naar Nederland te komen? En dat er ook een kanariepiet bestaat? Alle verhalen zijn opgeschreven door de Verhalenpiet (met een beetje hulp van echte schrijvers). Veel plezier ermee, groet van Sinterklaas

Het grote boek van Sinterklaas bevat allemaal nieuwe verhalen van verschillende kinderboekenschrijvers, Petra Cremers, Maaike Fluitsma, Wilma Geldof, Thijs Goverde, Leny van Grootel, Henk Hardeman, Mieke van Hooft, Gonneke Huizing, Henk van Kerkwijk, Ria Lazoe, Theo Olthuis, Eus Roovers, Henk van Straten, Theo-Henk Streng, Peter Smit, Anne Takens, en Anne Wiltink.
Saskia Halfmouw maakte er heel veel kleurtekeningen bij, samen met Leny van Grootel maakte ze bovendien Knutseltips en gedichten. Deze wisselen de verhalen af.

~ Een fragment...
Leny van Grootel
Het kleinste cadeau

Sinterklaas zit midden in de pakjeszaal met het grote boek op schoot. Hij kijkt tevreden rond. De pieten zijn hard aan het werk. Sjouwen met zakken en pakken, dozen en kisten, allemaal vol met cadeautjes natuurlijk. ‘Die hebben straks een dik stuk speculaas verdiend,’ mompelt Sint. ‘Maar eerst nog de kinderen met de Z…’ ‘Bram Zaagsma! Een goocheldoos!’ roept hij en meteen wordt er een doos uit een rek gepakt en in een zak gestopt. ‘Fleurtje Zeeman… oogschaduw met glittertjes. Fatima Zuiderwijk… een iepot.’ ‘Áipot, Sinterklaas,’ roept Pedro, ‘u moet zeggen: aipot.’ ‘Oké, oké, aipot,’ zucht Sint. Hij begint een béétje moe te worden, al wil hij dat niet laten merken. ‘Straks denken ze nog dat ik oud ben,’ bromt hij in zijn baard. ‘Niks hoor, al word ik duizend jaar, ik blijf altijd jong. Ik ga nooit met pensioen.’ Hij kijkt vlug weer in zijn boek. Nog één naam staat erin, op de laatste bladzij. Noortje Zijveld. Maar… wat is dat? ‘Weet jij hier iets van, Pedro?’ zegt Sint. ‘Ik heb hier Noortje Zijveld. Maar er is geen verlanglijstje.’ ‘Misschien komt het morgen nog, met de post,’ zegt Piet. ‘Of overmorgen. Het is nog géén 5 december. Gaat u maar lekker naar bed, u moet wel moe zijn na zo’n lange dag.’ ‘Ik? Moe? Hoe kom je erbij,’ roept Sint. En hij gaat speculaas uitdelen en chocolademelk. Maar dan is hij toch wel écht moe en blij dat hij naar bed kan. Met twee kruiken aan zijn voeten en drie kussens in zijn rug. Noortje ligt óók in bed. In een heel hoog wit bed. Met witte lakens, en een witte deken. In een kamer met witte muren. In een groot wit gebouw. Een ziekenhuis. Achter Noortjes bed hangen wel 20 vrolijk gekleurde kaarten, met ‘van harte beterschap’ erop. Maar jammer genoeg kan Noortje die niet zien. Ze kan haar hoofd niet bewegen, niet op haar zij draaien, niet gaan zitten. Noortje kan alleen maar liggen, plat op haar rug. En het enige wat ze ziet is een plafond met schroefjes. Wit, erg wit. En saai, oersaai. De eerste dagen na het ongeluk, toen ze nog maar net in het ziekenhuis lag, was dat niet zo erg. Want toen had Noortje meestal haar ogen dicht omdat ze bijna de hele dag sliep. Maar nu, na een week, ligt ze veel meer wakker en heeft ze er schoon genoeg van. Goed, er hangt wel een minitelevisie boven het voeteneind en de dokter heeft gezegd dat ze haar hoofd best iets meer omhoog mag leggen, maar dat doet zó’n pijn. En dan die herrie aan mijn hoofd, van telkens die reclamespotjes, denkt Noortje. Ik word er veel te moe van. Dat stomme ongeluk ook! Als Noortje haar ogen dicht doet ziet ze het weer helemaal voor zich. Ze is op weg naar school, voor het eerst alléén op de fiets. Bij de kruising heeft ze groen licht, dus rijdt ze vlug door. Slaat de auto naast haar rechts af! Bats! Komt ze met haar hoofd op de stoep en verder kan ze zich niks meer herinneren. Zelfs de loeiende sirenes van de ziekenauto heeft ze niet gehoord. Bah, ze wil er niet meer aan denken. Ze doet haar ogen weer open en staart naar het plafond. Het saaie, witte, saaie, witte… Maar dan opeens… daar is ie. Aan een haast onzichtbaar draadje recht boven haar hoofd. Een spin. Geen griezelspin, met van die enge kaken, maar een grappig klein spinnetje, slingerend aan zijn eigen draad. Hij komt lager en lager… ‘Hé,’ roept Noortje, ‘pas op joh!’ Want een spin op haar neus, dat hoeft nou ook weer niet. Maar alsof de spin haar heeft gehoord, klimt ie razendsnel weer langs de draad omhoog. Net een acrobaat in een piepklein circus. De draad zit vast aan zo’n schroefje in het plafond. En kijk vandaar loopt er een draad naar de lamp. Nu is de spin een koorddanseres, met acht dansende pootjes. Grappig! ‘Dag schat, ik ben er! Hoe gaat het?’ Mamma is binnengekomen en hangt haar jas over een stoel. ‘Het gaat beter hè? Je kijkt veel vrolijker dan gisteren.’ ‘Ja, mamma. Het gaat wel beter.’ ‘Is er soms een cliniclown op bezoek geweest? Dat je zo moest lachen.’ Ja, een heel kleintje, wil Noortje zeggen. Maar ze doet het niet. Ze weet hoe bang mamma is, voor spinnen. Of ze nou klein zijn of groot. Als mamma zou weten dat er één hier in de kamer zit, dan zou ze onmiddellijk alarm slaan. Dan zou ze niet rusten voor de spin was weggehaald. Nee, het is beter om het geheim te houden. Véél beter! Gelukkig vraagt mamma niet verder. Ze komt op de rand van het bed zitten en geeft Noortje een kusje op haar neus. Dan pakt ze haar tas en haalt er een briefje, een enveloppe en een potlood uit. ‘Vertel eens, Noor, wat vraag je eigenlijk aan Sinterklaas? Ik wou een verlanglijstje voor je maken. Anders is het misschien te laat.’ O ja, Sinterklaas! Mamma had gisteren wel verteld dat hij weer in het land is, maar met die pijn in haar hoofd was Noortje het al bijna vergeten. ‘Een computerspelletje? Of een luisterboek? Gezellig voor in bed, als je alleen bent.’ ‘Pffff… daar krijg ik hoofdpijn van. Ik hoef niks.’ ‘Stel je niet aan. Natuurlijk wil je wat. Denk er maar eens over na.’ Mamma legt de spullen op het kastje en blijft nog een uurtje zitten. Dan moet ze naar huis. ‘Misschien wil de zuster dat verlanglijstje wel schrijven, als je iets te binnenschiet,’ zegt ze. ‘Hier op de gang is een brievenbus. Kan ze het ook meteen posten voor je. Dag lieveling, tot morgen.’ Maar de volgende dag ligt het briefje er nog net zo. Ik zou niet weten wat ik hebben wil, denkt Noortje. Ik kan toch niks. Ja, ik wil beter worden. Maar dat kan je niet vragen. Ze zoekt het plafond af naar de spin, en hij is er nog steeds. Er hangen nu al vier lange draden, en hij is bezig met de vijfde. Soms zit hij hoog, en soms komt ie zo vlak bij, dat Noortje de kleefdruppeltjes op de draad kan zien. Ze zijn bezig goede vrienden te worden, Noortje en de spin. Maar dan gebeurt het. De werkster komt binnen met een grote ragebol. Ze kijkt speurend rond. ‘Hier óók al!’ roept ze uit. ‘Het lijkt hier wel een spinnenepidémie! En voor Noortje iets kan zeggen heeft ze de spin met draden en al weggevaagd. Ze schudt hem met een voldaan gezicht in een emmer. ‘Zo, nu is er in dit hele ziekenhuis geen spin meer te vinden,’ zegt ze. ‘Of ik heet geen Stiena meer.’ En weg is ze. Wat lijkt de kamer opeens weer saai! Wat gaat de tijd weer langzaam. Noortje probeert op de klok te kijken. Nog lang geen bezoekuur. Dan, voor het eerst, probeert ze een beetje recht te gaan zitten. Het doet pijn, maar ze krijgt de pen te pakken. En het blaadje. Zou ze nog kunnen schrijven?